Romeins Oudenburg

Sporen aan de rand van de Romeinse nederzetting van Oudenburg. De opgravingen langs de Ettelgemsestraat (project Riethove).

Wouter Dhaeze, Jan Decorte & Sofie Vanhoutte

Inleiding

Na de campagne op de site Spegelaere ter hoogte van de zuidwesthoek van het castellum en een tweetal opgravingen van middeleeuwse sites langs de Stationsstraat en bij het oude abtsgebouw (2006), wordt er alweer opgegraven in Oudenburg. Langs de Ettelgemsestraat, meer bepaald bij het rusthuis Riethove, vindt sedert juli 2007 archeologisch onderzoek plaats. Aanleiding is de bouw van een nieuw rusthuis en serviceflats.

De resultaten van het proefonderzoek wezen op een intense occupatie van de site in zowel de Romeinse als de middeleeuwse periode. De Romeinse sporen maakten deel uit van de nederzetting die zich uitstrekte rond het castellum. De site bevindt zich op ongeveer 300 m ten zuidoosten van de zuidoostelijke hoek van het castellum. De middeleeuwse periode is vooral vertegenwoordigd langs de Ettelgemsestraat, waar uitbraaksporen en vloertjes van laat- tot postmiddeleeuwse woonhuizen werden aangesneden. Deze woningen staan afgebeeld op de kaart van Sanderus (1641).
De opgravingen worden uitgevoerd door de Stad Oudenburg, in samenwerking met het VIOE.

Het archeologisch onderzoek

Sinds enkele weken heeft het opgravingsteam de eerste werkput afgewerkt. Momenteel wordt de tweede werkput volop onderzocht. In beide werkputten werden hoofdzakelijk Romeinse sporen aangesneden. Deze omvatten karrensporen, grachten, greppels, paalgaten, waterputten, kuilen, karrensporen en inhumatiegraven. De verschillende oriëntatie van de sporen, de talrijke oversnijdingen en de vondsten laat ons toe minstens drie fasen te onderscheiden.

De oudste Romeinse sporen zijn NNW-ZZO georiënteerde karrensporen die misschien in verbinding stonden met de voor het kustgebied belangrijke Zeeweg.

De meerderheid van de sporen horen thuis in het laatste kwart van de tweede eeuw en de eerste helft van de derde eeuw. Tot deze fase kunnen de greppels, grachten, kuilen en waterputten gerekend worden. De greppels en grachten die vaak haaks op elkaar staan, maakten deel uit van een percelering aan de rand van de Romeinse nederzetting. Deze greppels en grachten omsloten vierkante of rechthoekige percelen waarop bijvoorbeeld vee kon worden gehouden. Een van de greppels was afgeboord door een afrastering in hout die we over een lengte van 42 m hebben kunnen volgen. Daarnaast troffen we drie waterputten aan met een vierkante bekisting in eik. De eerste waterput had een bekisting opgebouwd uit hoekpijlers, planken en dwarsstutten op de bodem. In de vulling ervan werd een Romeinse schoen aangetroffen. Een zware koperen munt gevonden in de aanlegtrechter zal een mooie terminus post quem leveren voor de constructie van de waterput. De tweede waterput bestaat uit twee bekistingen die min of meer boven elkaar werden aangelegd: de onderste bekisting bestaat uit twee rijen planken waarvan de uiteinden in elkaar grijpen; de bovenste bekisting volgt dezelfde constructiewijze als de eerste waterput. Op de bodem van de bovenste bekisting werd naast een schoen een femur (dijbeen) aangetroffen. De derde waterput, die veel minder diep lag dan de eerste twee, had een bekisting met in elkaar grijpende planken. Deze waterput stond in relatie met een rechthoekige kuil van 2 op 2,5 m en had een rechte bodem en rechte wanden. Een derde groep van sporen zijn de kuilen waarvan er talrijke exemplaren werden aangesneden. De meerderheid kan als afvalkuil worden geïnterpreteerd. In de vulling ervan werd naast het gebruikelijke aardewerk regelmatig slachtafval aangetroffen.

Sporen van gebouwen werden vooralsnog niet aangetroffen. De eigenlijke bewoning bevond zich vermoedelijk dichter bij het castellum. Het beeld dat de hierboven besproken archeologische sporen oplevert, sluit perfect aan bij wat Y. Hollevoet in de jaren 1990-1992 langs de Bekestraat aantrof (Hollevoet 1992). Ook daar bevond men zich op de rand van de nederzetting.

Tot de recentste Romeinse sporen behoren vier inhumatiegraven. Deze bevonden zich op verschillende plaatsen in de werkput en hadden een variërende oriëntatie. De skeletten zijn deze van vier volwassen mannen. De vier werden op de rug geplaatst, waarbij de handen werden samengebracht op het bekken. In één geval werden resten van een houten kist aangetroffen. Grafgiften ontbreken volledig. Deze individuen werden begraven op een moment dat er ter plaatse geen bewoning meer was. Er zullen van het bot C14 stalen genomen worden om de ouderdom van deze graven te bepalen. Dergelijk type van graven werd ook aangetroffen in het vlakbij gelegen grafveld lans de Bekestraat, waar ze in tegenstelling tot de crematiegraven een minderheid vormen (Hollevoet 1993).

Bibliografie

HOLLEVOET Y., 1992. Speuren onder het sportveld. Romeinse en middeleeuwse sporen ten zuiden van de Stedebeek te Oudenburg (prov. West-Vlaanderen). Interimverslag 1990-1992, Archeologie in Vlaanderen II, 195-207.

HOLLEVOET Y., 1993. Ver(r)assingen in een verkaveling. Romeins grafveld te Oudenburg (prov. West-Vlaanderen). Interimverslag, Archeologie in Vlaanderen III, 207-216.